Inhoud cursussen

Het studieprogramma wordt modulair georganiseerd. Naargelang je gekozen traject volg je één of twee dagen per week les en doe je halftijds ervaring op op de werkvloer.

Theoretische modules:

  • Expressieve vaardigheden: Je leert de expressieve vaardigheden van jezelf en de cliënt optimaal ontwikkelen en hanteren. Een veelheid van activiteiten en technieken komen aan bod, die je kan toepassen binnen je eigen werksituatie. Er is onder andere aandacht voor verbale, manuele, dramatische, ... expressie. Zo ontdek je mogelijkheden om creativiteit bij je doelgroep te stimuleren. Het is de bedoeling dat jouw expressieve aanbod steeds gekoppeld is aan de specifieke behoeften van de cliënten.
  • Communicatief gedrag: Je verwerft inzicht in (je eigen) communicatie en in de verschillende stijlen en technieken.
    Zowel non-verbale als verbale communicatie komen aan bod. De nadruk ligt op het aanleren, trainen en oefenen van basisvaardigheden met betrekking tot communicatie.
  • Communicatieve vaardigheden: De lessen binnen deze eenheid bestaan o.a. uit communicatieve opdrachten rond verschillende thema’s. Doel is de kennis en het gebruik van de eigen communicatieve vaardigheden te bevorderen.
    Ook meer complexe situaties komen hierbij aan bod. Binnen oefensituaties leer je uitdrukking geven aan wat er binnen in je leeft. Ook het effect hiervan op de andere mogen we niet uit het oog verliezen. M.a.w. je bewust worden van wat ‘binnen’ en ‘buiten’ leeft en daar ook uitdrukking aan kunnen geven op een duidelijke, heldere wijze.
    Dit alles zou moeten leiden tot een kritischer bewustzijn met betrekking tot de manier waarop jijzelf met anderen in interactie treedt en tot de ontwikkeling van een meer effectieve communicatiestijl.
  • Samenwerkingsvaardigheden: Als opvoeder/begeleider functioneer je binnen een team. Als je samenwerkt zal je de verschillende doelen en werkwijzen op elkaar moeten afstemmen, er moet een taakverdeling opgemaakt worden enz… 
    Dit vereist concrete afspraken. Overleggen en vergaderen is dan ook heel belangrijk om het werk goed te doen. In deze eenheid leer je hoe je effectief kan deelnemen aan het overleg en aan besluitvormingsprocessen. Je krijg zicht op de verschillende posities die in een team ingenomen kunnen worden. Je leert je eigen manier van functioneren in een team kritisch te bekijken en waar nodig bij te sturen. M.a.w. je ontwikkelt de vaardigheden die nodig zijn om professioneel en constructief samen te werken, samen te overleggen en efficiënt te vergaderen.
  • ICT: In deze module leer je een aantal fundamentele PC-vaardigheden. Programma’s zoals Word, Excel en PowerPoint komen aan bod. Je leert de sociale kaart digitaal raadplegen. Daarnaast bekijken we computergebruik in functie van een aantal specifieke taken van de opvoeder/begeleider. Hierbij hoort het werken met elektronische dossiers.
    Ook aanpassingen voor personen met een beperking komen aan bod.
  • Woon- en leefklimaat: In je werksituatie wordt van jou verwacht dat je doorheen het dagdagelijks (samen)leven mee instaat voor een aangepast woon- en leefklimaat. Veiligheid en geborgenheid staan centraal. We streven naar een klimaat dat de autonomie, de ontwikkeling en het welzijn van de cliënt optimaal waarborgt. In dit vak staan we zowel stil bij enkele praktische vragen, als bij belangrijke begrippen.
    Hoe kunnen we de leefruimte best inrichten? Wat is voor mijn doelgroep een evenwichtige dagindeling? Welke opvoedings- en begeleidingsstijlen zijn er? Hoe kunnen we inspraak en participatie garanderen? Hoe kunnen we bijdragen aan de ‘kwaliteit van leven’ van de cliënt?
  • Professionaliteit en kwaliteitszorg: Dit vak geeft een inleiding op de job van een opvoeder/begeleider. We staan stil bij de taakinvulling en bij de nodige sleutelvaardigheden die je dient te bezitten of  te ontwikkelen. Heel belangrijk bij het goed uitoefenen van je job, is je eigen pedagogische grondhouding. Veiligheid, aanvaarding, empathie, echt zijn in contact, vormen hierbij de kern. Wat wordt hieronder verstaan, hoe geef je hier vorm aan?
    Stil  staan bij je eigen voelen, denken en handelen in situaties is noodzakelijk om te groeien als opvoeder/begeleider.
    In deze module word je wegwijs gemaakt in het leren reflecteren op je ervaringen. Zo kom je ook tot een goed zicht op jezelf. Hoe is de verhouding tussen je eigen draagkracht en draaglast? Waar ben je sterk en minder sterk in? Welke waarden en normen vind je belangrijk? Hoe beïnvloeden deze jouw professioneel handelen?
  • Observeren en rapporteren: In deze module leer je op een professionele manier observeren en rapporteren. Je leert waarom observeren een basisvaardigheid is voor een opvoeder/begeleider. Wat is observeren? Wat is het verschil tussen observeren, waarnemen en interpreteren? Hoe ga je observeren? Wat doe je met deze gegevens? Hoe kunnen observaties jouw handelen richting geven? Daarnaast leer je ook observaties vast te leggen en gericht  mondeling en schriftelijk te rapporteren.
  • Methodisch handelen in een organisatie: Je werkt als opvoeder/begeleider binnen een organisatie met een eigen visie en eigen begeleidingsmogelijkheden. Je kan dit terugvinden in het ‘kwaliteitshandboek’ van de organisatie.
    Het kwaliteitshandboek vormt het houvast voor verdere begeleidings- en handelingsplanning. Je leert hoe je je informeert over de vraagstelling van de cliënt en hoe je in overleg met anderen een plan kan opstellen. Zo kan je in de praktijk mee instaan voor een goede opvolging van het begeleidingsplan.
  • Deontologisch en ethisch handelen: Deze cursus beoogt je gevoelig te maken voor de morele aspecten van de hulpverlening door je te confronteren met waarden en normen. Je staat stil bij eigen keuzes, maar ook bij normen van het team, de voorziening en de maatschappij. Er wordt geprobeerd inzicht te geven in de complexiteit van praktijksituaties en je te helpen bestaande standpunten kritisch te doordenken. Het accent ligt op de eigen morele reflectie. Je leert op een discrete manier omgaan met informatie rekening houdend met het beroepsgeheim, de wet op de privacy en de meldingsplicht. Via begripsverheldering en kennisname van typische aspecten van het beroepsleven en van enkele ethische denkwijzen, krijg je de instrumenten aangereikt om praktijksituaties te analyseren en voorbeeldsituaties te doordenken en te bewerken.
  • Emancipatorisch handelen: In dit vak staat het ontwikkelen van basishoudingen en basisvaardigheden centraal die gebaseerd zijn op het emancipatorisch gedachtegoed. Maximale zelfbepaling is het uitgangspunt. We beogen hierbij dat de cliënt zoveel mogelijk zijn eigen leven vorm kan geven, dat er plaats is voor zijn keuzes, wensen en eigen initiatieven.
    We werken bewust aan de voorwaarden die hiervoor nodig zijn. Begrippen zoals inclusie, empowerment, kwaliteit van leven worden uitgediept en op hun praktijkwaarde getoetst. We bekijken hoe je de cliënt kan ondersteunen bij het verhelderen van zijn hulpvraag en het ontplooien van zijn mogelijkheden, zodat zijn afhankelijkheid vermindert. Dit vraagt van jou dat je je eigen begeleidingsrol aanpast aan de situatie en dit in dialoog met de cliënt.
  • Omgaan met diversiteit: Hulpverlenen kan niet los gezien worden van de samenleving waarin dit plaatsvindt. Ieder heeft voortdurend te maken met verschillende culturen, visies, achtergronden. Je eigen visie op mens en samenleving bepaalt je manier van omgaan met mensen. Deze eigen visie herkennen en bespreekbaar maken is een eerste vereiste. We bekijken diversiteit op verschillende vlakken (verschillende levensbeschouwingen, kwetsbare groepen, ongelijkheid, kansarmoede,…) en zoeken naar open, respectvolle en genuanceerde omgangsvormen.
  • Sociaal - emotioneel begeleiden: Als je mensen goed begeleidt, heb je oog voor hun sociaal en emotioneel welzijn en zoek je hoe je zelf kan bijdragen hieraan. Aan de basis ligt het opbouwen van een vertrouwensrelatie. Hoe kan je ondersteuning bieden aan de cliënt bij het benoemen, uiten en verwerken van gevoelens? Hoe kan je hem ondersteunen bij het opbouwen van een positief zelfbeeld? Hoe begeleid je rond relatievorming? Hoe kan seksualiteit aan bod komen? Hoe sociaal vaardig is de cliënt? Heeft hij ondersteuning nodig bij het stellen van weerbaar gedrag? Telkens hou je voor ogen het zelfsturend vermogen van de cliënt te vergroten. Hierbij is het ook van belang om zelf bewust om te gaan met afstand en nabijheid.
  • Omgaan met moeilijk gedrag: In de hulpverlening word je wel eens geconfronteerd met moeilijk gedrag van cliënten.
    Je zal ontdekken dat gedrag eigenlijk heel complex is en steeds moet gezien worden in functie van de persoon en de situatie. Wat noem jij moeilijk gedrag en zien anderen dit ook zo? Welke betekenis heeft dit gedrag en welke theoretische verklaringen bestaan hiervoor? Hoe handel je in crisissituaties? Je leert onderscheid te maken tussen verschillende ‘probleem’gedragingen. Je ontwikkelt hiervoor begrip. Dit helpt om hier doordacht mee om te gaan.
  • Levenslooppsychologie: Vanuit het perspectief van een levensloop bestudeer je de verschillende fasen in een mensenleven van voor de geboorte tot de hoge ouderdom. Vier grote gedragsaspecten komen daarbij aan bod: de lichamelijke, de verstandelijke, de emotionele en de sociale ontwikkeling. Telkens wordt de vraag gesteld welke ontwikkelingstaken een individu moet vervullen in de betreffende fase en worden eventuele risico-ontwikkelingen aangegeven. De betekenis van deze gegevens voor de communicatie en de opvoeding lopen als een rode draad doorheen het geheel. Vanuit dit inzicht kan je het gedrag van de cliënt begrijpen en hier gepast op reageren.
  • Orthopedagogische vraagstellingen: Als opvoeder/begeleider zal je te maken krijgen met specifieke doelgroepen.
    In deze module richten we ons naar: personen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking, met een lichamelijke beperking en met een niet aangeboren hersenletsel. Naast het aanreiken van inzichten (problematiek, mogelijkheden, beperkingen,…) wordt ook veel aandacht besteed aan vaardigheden en houdingen om je pedagogisch handelen beter af te stemmen op de specifieke behoeften en vraagstelling van de doelgroep.
  • Ortho-agogische vraagstellingen: Ook hier staan specifieke begeleidingssituaties centraal. We richten ons naar de volgende doelgroepen: mensen met ontwikkelingsstoornissen, psychiatrische problematiek en psychogeriatrische problematiek. Telkens worden de kenmerken, problemen en mogelijkheden van de doelgroep ontleed. We staan stil bij de aandachtspunten in de begeleiding, de verschillende begeleidingsstijlen en – methodieken.
  • Psychosociale vraagstellingen: In deze module richten we ons naar personen met psychosociale problemen. We staan stil bij problematische opvoedingssituaties, verwaarlozing, kansarmoede,… Wat zijn kenmerken, mogelijkheden en beperkingen van deze cliënten? Hoe kunnen we hun hulpvraag verstaan? Hoe kunnen we onze begeleiding hierop afstemmen?
  • Werken met groepen: Als opvoeder/begeleider werk je meestal met een groep kinderen, jongeren, volwassenen …
    Je leert welke krachten er in een groep leven en hoe je deze bewust kan hanteren. Je leert hoe je rekening kan houden met deze krachten tijdens dagdagelijkse momenten, maar ook tijdens groepsoverleg, conflictmomenten,…
    Zo kan je doordacht richting geven aan een groep. Dit is belangrijk omdat het goed functioneren van de groep een bijdrage kan leveren aan het individueel welbevinden van iedere persoon.
  • Activiteitenbegeleiding: De cliënt kan ondersteuning/begeleiding nodig hebben bij het leren, het werken en het invullen van zijn vrije tijd en bij het hanteren van sociale vaardigheden.
    Je leert een activiteitenaanbod plannen en uitvoeren, rekening houdend met de noden van de cliënt, de groep en de omstandigheden.
    Je leert een aantal vaardigheden en methodieken die gericht zijn op de begeleiding van deze activiteiten.
  • Verzorging, veiligheid en gezondheid: Er wordt van jou als opvoeder/begeleider verwacht dat je oog hebt voor de veiligheid en gezondheid van je cliënt en van jezelf. Kennis van enkele belangrijke ziektebeelden is onmisbaar.
    We starten in de preventieve sfeer: voorkomen van beroepsziekten, preventie van rugklachten en van ongevallen.
    We leren ook praktische hulp, verzorging en comfortzorg te bieden aan de cliënt. We leren ook tussenkomen bij ongevallen of levensbedreigende situaties (EHBO – reanimatie).
  • Omgaan met het cliëntsysteem: Bij het begeleiden van een individu is het belangrijk dat je als begeleider steeds rekening houdt met het cliëntsysteem. Wie maakt hier deel van uit? Kan ik mij verplaatsen in deze mensen? Hoe bouw ik met hen een goede samenwerking uit? Hoe kan ik de contacten tussen de cliënt en zijn omgeving optimaliseren? We staan hier uitgebreid stil bij het ‘contextueel handelen’.
  • Actuele tendensen in het welzijnswerk: We richten ons in deze module op de verdieping van een aantal actuele inzichten, vaardigheden en competenties met betrekking tot het werkveld. Je gaat zelf aan de slag door het opzetten van een praktijkproject. Hierin laat je zien hoe je nieuwe inzichten kan vertalen naar je eigen professioneel handelen.
  • Welzijn en gezondheid: In deze module ligt de focus op de actuele maatschappelijke opvattingen over welzijn en gezondheid. Wat is je eigen visie hierop? Hoe kunnen nieuwe inzichten naar de praktijk vertaald worden? Hoe kan/moet je je eigen deskundigheid verhogen?

Praktijkmodules

Het praktijkgedeelte bestaat uit 6 modules ‘gesuperviseerde beroepspraktijk’ en 6 modules ‘methodische werkbegeleiding en supervisie’.

Naast het volgen van de lessen, loop je ook stage. Zo leer je de job in het werkveld. Elke module ‘gesuperviseerde beroepspraktijk’ omvat 200 stage-uren. In totaal volbreng je dus 1200 stage-uren. Deze worden gespreid, afhankelijk van het traject dat je volgt. Volg je de opleiding op 3 jaar, dan werk je elk semester 200 uren. Wil je de opleiding afmaken op 2 jaar, dan spreid je 600 uren over 2 semesters. Je doorloopt hierbij verschillende fasen: van kijken hoe men werkt, over meewerken naar zelfstandig werken. Door ervaring op te doen in het werkveld kom je tot een geleidelijke integratie van de tijdens de lessen verworven inzichten, vaardigheden en houdingen. Op het einde van je opleiding moet je in staat zijn om volledig zelfstandig te functioneren.
Je wordt hierbij ondersteund door een supervisor vanuit de school en een interne praktijkbegeleider vanuit het werkveld. Samen bespreken jullie je vorderingen en worden je leerpunten vastgelegd. We streven hierbij een maximale openheid na voor het bespreken van alle mogelijke vragen en bedenkingen, uitgaande van een respectvolle houding.
Meer informatie omtrent visie, opdrachten en evaluatiecriteria vind je in de ‘Gids voor beroepspraktijk’. Tijdens het schooljaar zijn er minstens twee evaluatiegesprekken waarbij jijzelf, je praktijkbegeleider en je supervisor aanwezig zijn.

Je kan ervaring opdoen in een brede waaier van voorzieningen, o.a. medisch-pedagogische instituten, buurtwerkingen, bijzondere jeugdzorg, dagcentra en homes voor volwassen mentaal gehandicapten, …
M.b.t. je stage kan je zelf aangeven naar welke doelgroep je voorkeur uitgaat.   Vooraleer je start, vraag je toestemming aan je supervisor.
Wel is het zo dat je liefst 2 opeenvolgende semesters bij dezelfde doelgroep blijft.

Daarnaast volg je 6 modules ‘methodische werkbegeleiding’. In deze modules staat je eigen leerproces centraal. Je maakt een aantal praktijkgerichte opdrachten. Deze ondersteunen je bij het uitdiepen van je inzicht in de praktijk. Je leert ook kritisch te reflecteren op je eigen handelen en je handelen permanent te optimaliseren. Elk semester kom je drie keer samen met een aantal medecursisten en je supervisor. Binnen deze supervisiegroep wordt samen stilgestaan bij ieders praktijkervaringen en leerproces.